We worden wakker in de ochtendschemer. Als we vanuit het vliegtuigraampje naar beneden kijken zien we een onwaarschijnlijk landschap, alsof we op een andere planeet zijn aangekomen. Onze DC‐10 taxiet naar het militaire gedeelte van de luchthaven van Kabul. Vanuit de intercom klinkt: “Straks niet op het gras lopen wegens mijnengevaar”. Er is geen gras, alles is wit besneeuwd. Er is ook geen douane. Een militair vinkt onze namen af.

Straatkinderen, Kabul
Foto: Gijs Wanders

Pantserwagens met soldaten als poppetjes in een speelgoedauto rijden af en aan. Ze vertrekken of keren terug van patrouilles door de stad. De ijzige lucht ruikt naar houtvuur. Ik voel me Kuifje in Tibet. Onze huurauto’s met chauffeur laveren naar de stad. Bij kruispunten hangen stoplichten die op rood en groen springen maar niemand let er op. Iedereen neemt voorrang. Verkeersagenten en voetgangers worden net niet omver gereden. Sporen van oorlog zijn overal. Geen muur zonder kogelgaten. Ik probeer me het voor te stellen: dag en nacht kanongebulder. Lichtflitsen in de nacht, inslagen overdag. Ouders die hun kinderen proberen te kalmeren, biddend dat de volgende raket niet hun huis zal raken.

Na de eerste dagen schrijf ik in mijn aantekenboek: “Afghanen lijken allemaal in beweging, elke vierkante meter leeft. Ze willen mee met de wereld, na 25 jaar dood en verderf eindelijk vooruitgang. Van de Taliban met hun baarden, kalasjnikovs en spiedende blik mochten ze niet genieten, nergens klonk muziek, lachen was verboden, maar nu komen ze weer naar buiten, spelen de kinderen op straat en wordt er weer gevliegerd. Maar nog veel is onzeker en grimmige herinneringen verdwijnen niet onder de winterse sneeuw.”

In Kabul wonen 60.000 straatkinderen. Ze bedelen niet snel. Ze ondernemen liever iets. Met een poetslap gaan ze over voorruiten van auto’s in de file en hopen op een fooi. Of ze houden een blikje met brandende kooltjes op en verkopen illusies: voor een klein bedrag beschermen ze je tegen boze blikken en slechte gedachten.

We bezoeken een centrum waar jaarlijks honderden staatkinderen worden opgevangen. Achter een deur klinkt muziek. Over een berg schoenen en sandalen stappen we naar binnen. Rond een potkachel zitten jongens en meisjes op een kleed. Twee muziekleraren knikken uitnodigend. Ze begeleiden de kinderstemmen met instrumenten. De klanken zijn monotoon. Als de kinderen ons zien beginnen ze nog enthousiaster te zingen. Ze zitten dicht op elkaar om warm te blijven. De ouders hebben hun
stemmen nooit gehoord, ze zijn gestorven in de oorlog.

Nasir en Munir en hun vader
Foto: Dirk Buwalda

Op veel gezichten ligt een ernstige blik.
’s Ochtend krijgen ze les en na de middagmaaltijd gaan ze weer de straat op om te verkopen wat ze in het opvangcentrum hebben gemaakt. Zo overleven ze elke nieuwe dag.
We zullen de dagen erna vaker in het centrum zijn. Vera van der Poel en Tjeerd van Zanen om met de kinderen muziek te maken en Herman van Hoogdalem om zijn ervaringen met een collega‐schilder te delen. Zo kunnen we iets terug doen.

We ontmoeten Ferestha. Ze is eigenares van een fitnesscentrum voor vrouwen. Ferestha was 14 toen ze trouwde: "Gelukkig heb ik een aardige man. Ik mocht mijn school afmaken en studeren. Mijn man was leraar. Hij heeft zijn baan opgezegd en zorgt nu voor de kinderen. Daarom kan ik nu iets doen voor mijn zusters, de Afghaanse vrouwen: ze moeten niet de hele dag thuiszitten in hun kleine huizen, daar worden ze depressief van. Hier kunnen ze zichzelf zijn, jong en oud". Er ligt een muur om de sportschool, bij de poort staan twee gewapende mannen.

Tekening: Herman van Hoogdalem


Afghanistan is een mannenland. In veel gezinnen weegt de stem van de zoon zwaarder dan van de moeder. Tenminste, in traditionele gezinnen, maar de mééste Afghanen zijn traditioneel. Toch zijn in Kabul speciale ontmoetingsplekken voor vrouwen. Moeders, dochters en vriendinnen gaan er wandelen en picknicken. In één van die parken is een sportschool voor vrouwen. Daar trainen Shamila en Azadeh.
Vrouwen die aan sport doen, in de jaren van de Taliban zouden ze zijn gestenigd. Ze spelen in het nationale voetbalteam. Hun droom is mee te doen aan de Olympische Spelen, volgend jaar in Peking. Ze hebben het niet makkelijk. In hun omgeving horen ze reacties van afkeuring. Ze beseffen dat ze risico’s lopen. Geregeld worden vrouwen die voor zichzelf opkomen vermoord. Maar Shamila en Azadeh zijn niet bang. “Het is ons recht, dat laten we ons niet afnemen,” zeggen ze. Beide jonge vrouwen willen later arts worden om ook in dat opzicht iets voor hun land te kunnen betekenen. Op onze reis ontmoeten we méér zelfbewuste vrouwen, een politica, een TV‐presentatrice, de eigenares van een fitnesscentrum, een zakenvrouw. Moedige vrouwen die blij zijn dat ze niet meer in burka de straat op hoeven. Voor onze camera zegt een onderwijzeres: “Ik struikelde vaak want ik zag niets. Ik voelde me opgesloten in duisternis. Het voelde als een gevangenis.”

Ik schrijf in mijn aantekenboek:
In het stof van de stad zweemt de herinnering aan de jaren van pijn, maar daar kom jij, bevrijd uit het donker, het eenzame duister van het kleed dat je gevangen hield. Je zou willen dansen, maar door je geluk filtert de twijfel, het niet vergeten: hun spiedende blik, de hoon van de straat. Maar je ogen spreken: hier ben IK, vrouw met een naam, met een gezicht. Iemand.

Ahmed Shah Raoof werkt vijf dagen per week op een school voor kinderen die op straat de kost verdienen. Hij geeft ze schilderles. ’s Middags begeleidt hij samen met zijn vrouw een groep kinderen uit zijn buurt bij het maken van huiswerk. In zijn vrije tijd maakt Ahmed miniatuurschilderijen. Door een raketinslag is hij gewond geraakt. Hij kon daarom twee jaar lang niet schilderen.
(tekst en tekening: Herman van Hoogdalem)

We gaan naar Afghan Stars, de Afghaanse versie van Idols. Bij de hekken van de studio drommen ze samen, jongeren die een kaartje hebben voor de opnames. Nog vier kandidaten zijn over, alle meisjes liggen er uit. Het programma is razend populair. Een jongen zegt: “Eten is voor je maag, muziek voor je hart.” En een meisje: “Muziek is belangrijk voor ons. We hebben zware tijden gehad. Nu zijn we vrij. Laten we ervan genieten, ook wij vrouwen.” De opnames zijn in een koude theaterzaal dus houdt iedereen z’n winterjas aan, ook de jury en de kandidaten. De presentator gedraagt zich als een ster en de kandidaten zijn ware idolen. Toch bewegen ze amper. Ze knippen wat met hun vingers en maken houterige pasjes. Al teveel uitbundigheid is ongepast, je emoties binnenhouden is een teken van kracht. Aan het eind zingen de vier overgebleven Idols samen een lied dat iedereen ontroert: “Dit is mijn land, het land van mijn voorvaderen, Afghanistan is mijn hart, het land waar ik van houd.”

Ik kijk uit het raam van het grijze flatgebouw en zie kinderen spelen in de grijze sneeuw, een herder met zijn kudde schapen trekt voorbij, twee jongemannen met jachtgeweren verdwijnen in een flat aan de overkant. In de kleine keuken van de familie Stanekzi zet moeder Zanghona een pan op het tweepits fornuis. Buiten op het balkon ronkt een generator. Elektriciteit uit de muur is er alleen ’s avonds dus een ieder die het kan betalen heeft zijn eigen voorraad.
 

Ik heb heerlijk gegeten op de grond in de nette kamer met de twee oudste zonen; moeder, oma en de andere 4 kinderen in het kamertje ernaast. Vader Nasrullah was in zijn oude Mercedes vertrokken naar een afspraak. Na het eten ga ik naar beneden. Het trapportaal stinkt naar urine en in de betonnen trap zitten grote gaten. Onze chauffeur staat buiten op me te wachten. “This is where the rich people live,” zegt hij vol ontzag.
(tekst en foto: Dirk Buwalda)

We zoeken naar verhalen over de liefde. In een poolcentrum ontmoeten we biljartende jongens. Ze gedragen zich cool met hun leren jacks en gebreide mutsen. Ze vertellen over studie, hobby’s, mode: “Op feestjes draag ik het liefst een mooi pak maar op het platteland kleed ik me traditioneel omdat ik me daar goed bij voel”. En over uitgaan: Ik weet dat jongeren in het westen drinken, maar door alcohol word je een ander mens. Je gaat vechten en doet domme dingen. Daarom drink ik niet.” Er zijn geen meisjes aan het poolen. “Die voelen zich hier niet op hun gemak,” zeggen de jongens. In Afghanistan blijven meisjes thuis, ze kijken televisie of bezoeken familie, veilig onder de hoede van hun ouders. Verder is er niet veel te doen voor meisjes.
Op het platteland weet een jongen die een geborduurd zakdoekje vindt hoe laat het is. Een meisje is verliefd op hem. Daar moet hij het voorlopig mee doen. Contact zoeken valt meteen op en is riskant. Hij kan zich de woede van haar familie op de hals halen. Misschien wil de familie haar wel aan een andere man uithuwelijken.
In de stad is het gemakkelijker. De jongen en het meisje zien elkaar na schooltijd of op de campus van de universiteit. Ze schuiven elkaar briefjes toe, sms’en en spreken af in een park. Maar het meisje mag nooit te lang wegblijven, anders wordt haar familie ongerust.
Elkaars hand vasthouden kan door de beugel, maar een kus in het openbaar is niet toegestaan. De islamitische wetten zijn streng, tradities heilig. Toch gebeurt het wel, op geheime plekjes, bijvoorbeeld achter de bomen in een park. Eén van de jongens erkent dat hij verliefd is: “Ik houd haar hand vast, maar kussen of strelen is niet goed. We zeggen lieve woordjes tegen elkaar, maar seks? Niet in Afghanistan. Dat willen meisjes ook niet.” De jongens rond de biljarttafel zijn eensgezind: “Het is mooi als je je emoties kunt beheersen.”

Laat Afghanistan weer lachen, maak de kinderen blij. Even de oorlog en armoede vergeten. Dat wil het MMCC, een minicircus voor kinderen. Na schooltijd leren jongens en meisjes er jongleren, acrobatiek en andere vaardigheden. Met hun circus trekken ze door het land. De filosofie is eenvoudig: als kinderen lachen zijn ouders blij, en blije mensen geven hoop. Maar de kinderen van het circus doen méér: tijdens de voorstelling leren ze ouders en kinderen dat het goed is om naar school te gaan, dat hygiëne belangrijk is, dat ze bij het spelen moeten uitkijke voor landmijnen.
Kinderen leren kinderen. Het is een ideaal van oprichter David Mason, geboren uit Deens‐Iraanse ouders. Hij is trots op de kinderen en vertelt over Gullab. De jongen leefde van de straat, er was niemand die voor hem zorgde, hij voelde zich waardeloos.


Mobile Mini Circus for Children, Kabul
Foto: Dirk Buwalda
 
Nu is hij acrobaat en heeft voor tienduizenden mensen opgetreden. Ze hebben hem toegejuicht, voor hem geapplaudisseerd. Hij is nu iemand.
Tussen de middag halen de kinderen van het minicircus hun maaltijd in de keuken. Met rijst en naan, een pizza‐achtig brood, keren ze terug naar de klas. In het voorbijgaan houden ze ons hun bordje voor. ‘For you,” zeggen ze. We schudden ‘nee’, wijzen naar hun buikjes en zeggen: “No, for you”. De kinderen lijken opgelucht. “Thank you”.


In de Nederlandse kranten zien we vooral militairen, taliban en onrust in Uruzgan. Maar er zijn ook gebieden waar het wél veilig is, waar mensen aan een nieuwe toekomst bouwen. Zoals in Baghlan, aan de andere kant van de Salang‐pas, weg van de chaos van Kabul.
Daar maken we kennis met Nikaj van Wees en zijn Afghaanse collega Dr. Waseh. Ze nemen ons mee naar Khoja Alwan, een ommuurde nederzetting in een uitgestrekte vallei. De bewoners behoren tot de miljoenen Afghaanse vluchtelingen die de afgelopen jaren terugkeerden uit Pakistan.

 

Mobile Mini Circus for Children, Kabul
Foto: Hans Struik
Achter de kale bergen in de verte ligt hun eigen land, maar ze kunnen niet terug. De grond is vernietigd door droogte en oorlog en de waterbronnen zijn uitgedroogd. Ook hun honderden koeien zijn er niet meer. Nu wonen ze in illegale lemen hutten en tenten. Op de grond, tussen de schapen en geiten, spinnen de vrouwen garen van grote bergen witte wol. Twee vrouwen kijken ons onverwacht open aan, maar hun lichtblauwe troebele ogen zien ons niet. Ze zijn blind. Hun kinderen rennen uitgelaten om ons heen. Als we één van de dorpsoudsten vragen of de kinderen naar school gaan zegt hij "Nee, de overheid erkent ons niet want we hebben geen land. We kunnen onze kinderen pas naar school sturen als we eigen land hebben. Tot die tijd wachten we."

Nikaj van Wees en Dr. Waseh werken voor Dutch Committee for Afghanistan (DCA), een
ontwikkelingsorganisatie die zich richt op de verbetering van de gezondheid en productie van
schapen, koeien, geiten, ezels en kamelen. In Khoja Alwan verdeelde DCA 260 zwangere schapen
onder 130 families. Melk en vlees gebruiken de bewoners vooral voor eigen consumptie. De wol is voor verkoop op de markt.

Kinderen in Baghlan
Foto: Dirk Buwalda
  Afghanen hebben veel littekens opgelopen en zijn niet positief over hun land. Ze zeggen: “Toen God klaar was met de schepping had Hij nog een stuk rots over en noemde het Afghanistan”. Maar nergens zag ik apathie, overal heerst bedrijvigheid. Op de scherven van het verleden bouwen de Afghanen hun toekomst.
Vrouwen zijn de motor van de ontwikkeling. Van de Taliban mochten ze niet naar school, nu halen ze de schade in. Scholen zijn in de winter drie maanden gesloten omdat het te koud is maar ze komen elke dag en leren voor twee. Ze dragen hun kennis weer over op hun kinderen. Zij kunnen Afghanistan veranderen.
wat het is